Help & Contact

Gebruikershandleiding
Heeft u een vraag over een van de functionaliteiten van VIND Handhaving? Of bent u benieuwd wat de kennisbank u allemaal te bieden heeft? Bekijk dan de handleiding.

Liever een persoonlijke instructie? Onze trainers komen graag bij u langs. Maak een afspraak voor een gratis gebruikerstraining via 070 - 378 98 80 of per e-mail.

Inhoudelijke vraag? Stel deze aan onze redactie
Wij streven ernaar om deze kennisbank zo goed mogelijk aan te passen aan uw wensen. Uw inhoudelijke vragen en/of opmerkingen zijn bijzonder welkom. U kunt hierover contact opnemen met onze redactie.

Wachtwoord vergeten?
Uw wachtwoord opvragen gaat heel eenvoudig door te klikken op de knop 'inloggen' rechtsboven. Onder de gebruikersnaam en wachtwoord ziet u de link 'wachtwoord vergeten'. Vul uw emailadres in om een nieuw wachtwoord te ontvangen per mail.

Vragen? Neem contact op met onze servicedesk
Voor vragen over o.a. inloggen, facturatie of abonnementen neemt u contact op met onze servicedesk via 070 - 378 98 80 of per e-mail.

De kennisbank op proef?
De informatie op VIND Handhaving is alleen toegankelijk voor abonnees.  Wilt u meer informatie over de kennisbank, een vrijblijvende productdemonstratie of een proefabonnement? Neemt u dan contact op via via 070 - 378 98 80 of per e-mail.

 

Drugs

A A
sluiten

Sluiting woningen, lokalen en coffeeshops i.v.m. openbare orde

Laatste update 4 oktober 2017
Auteur(s): A. Ram

Inleiding

De problematiek rond coffeeshops kan zowel strafrechtelijk als bestuursrechtelijk worden aangepakt. Bij de aanpak is bovendien van belang of er al dan niet sprake is van overlast en of er een lokaal coffeeshopbeleid is vastgesteld. Strafrechtelijk kan worden opgetreden voor het voorhanden hebben van of de handel in soft- en/of harddrugs als de coffeeshophouder of exploitant zich niet houdt aan de AHOJG(I)-criteria. Vervolging kan ook worden ingesteld wanneer er binnen de gemeente een zogenoemd nulbeleid is afgesproken. Een coffeeshop die zich houdt aan deze criteria kan niet zonder meer worden gesloten.

Sluiting woningen en lokalen bij verstoring openbare orde

Op het terrein van de openbare orde heeft de burgemeester bevoegdheden om op te treden. Alleen bij concrete en feitelijke overlast voor de woon- en leefsituatie veroorzaakt door de verkoop van hard- of softdrugs kunnen door de burgemeester maatregelen worden genomen.

Het sluiten van woningen als gevolg van overlast door de handel in verdovende middelen op grond van de APV is volgens een uitspraak van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 28 augustus 1995 strijdig met het in artikel 10 van de Grondwet neergelegde grondrecht van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Naar het oordeel van de Raad van State kan alleen een wet in formele zin de grondslag bieden voor een beperking van het grondrecht.

Wet Victoria: sluitingsbevoegdheid burgemeester

Naar aanleiding van deze uitspraak is op 26 maart 1997 de Wet van 13 maart 1997 tot wijziging van de Gemeentewet, houdende opneming daarin van artikel 174a, in werking getreden (Stb. 1997, 132, d.d. 25 maart 1997). Hierin is de bevoegdheid geregeld voor de burgemeester om woningen, niet voor het publiek toegankelijke lokalen of bij die woningen of lokalen behorende erven te sluiten bij verstoring van de openbare orde in de woningen of lokalen. 

Doel

Doel van de sluitingsbevoegdheid is omwonenden te vrijwaren van ernstige vormen van overlast in hun omgeving. In het regeringsvoorstel ging het om drugsgerelateerde verstoring van de openbare orde. Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer is de relatie met drugshandel komen te vervallen zodat niet langer de herkomst van de ordeverstoring beslissend is bij de bepaling van de noodzaak tot sluiting.

Welke mate van verstoring openbare orde rechtvaardigt sluiting?

De achtergrond van deze wijziging is niet zozeer de gedachte dat andere vormen van overlast, zoals overlast door prostitutie en wapenhandel, frequent een zodanige verstoring van de openbare orde teweegbrengen dat sluiting noodzakelijk is, maar dat dergelijke situaties niet geheel zijn uit te sluiten. Het gaat om de bevoegdheid om een woning fysiek te sluiten als de openbare orde daadwerkelijk wordt verstoord. De mate van verstoring moet zodanig zijn dat sluiting te rechtvaardigen is.

Begrip woning en niet voor het publiek toegankelijke lokalen

Onder het begrip woning kan ook een schip, een tent, een woonwagen, een keet of barak vallen, als zij feitelijk door gebruikers als woning in gebruik zijn. De in artikel 174a Gemeentewet genoemde niet voor het publiek toegankelijke lokalen, omvat alle ruimten waarin de daar gebezigde activiteiten zich in beslotenheid voltrekken. Gedacht kan worden aan schuren, garages en bergingen, maar ook aan sociëteits- en verenigingsgebouwen, voor zover de activiteiten uitsluitend gericht zijn op een besloten groep van personen.

Publiek toegankelijke lokalen: artikel 174 Gemeentewet

Met betrekking tot voor publiek toegankelijke lokalen is het toezicht geregeld in artikel 174 van de Gemeentewet. Op basis van artikel 180 van de Gemeentewet is de burgemeester aan de gemeenteraad verantwoording verschuldigd, zodat de gemeenteraad langs deze weg invloed kan hebben op de uitoefening van de sluitingsbevoegdheid.

Sluiting bij softdrugs en harddrugs i.v.m. openbare orde

Laatste update 4 oktober 2017
Auteur(s): A. Ram

Overtredingen softdrugs rechtvaardigt sluiting niet

Volgens een uitspraak van de rechtbank te Utrecht is het sluiten van een inrichting waar stelselmatig overtredingen van de Opiumwet plaatsvinden - in dit geval een coffeeshop - door de burgemeester niet mogelijk, omdat de Opiumwet geen betrekking heeft op de openbare orde (Rechtbank Utrecht, 2 augustus 1995, 95/2491). Dit betekent dat alleen bij concrete en feitelijke overlast voor de woon- en leefsituatie veroorzaakt door de verkoop van hard- of softdrugs, de burgemeester maatregelen worden genomen op grond van  artikel 174a van de Gemeentewet, waarbij kan worden overgegaan tot sluiting van de inrichting.

Handel in harddrugs, sluiting inrichting mogelijk

In tegenstelling tot de verkoop van softdrugs wordt - als gevolg van een uitspraak van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State - de handel in harddrugs, waarvan de negatieve uitstralingseffecten van algemene bekendheid zijn, zonder meer gezien als een ontoelaatbare aantasting van het leef- en woonmilieu. Als handel in harddrugs plaatsvindt in een inrichting hoeft de overlast niet concreet te worden aangetoond en kan de burgemeester overgaan tot sluiting van de inrichting. Bij de handel in harddrugs wordt, met andere woorden, de overlast per definitie verondersteld (theorie van de geabstraheerde overlast: ARRS, 8 mei 1984, AB 1984, 442).

Opgemerkt wordt dat het toepassen van bestuursdwang in het kader van artikel 13b Opiumwet mogelijk is zonder dat er sprake is van verstoring van de openbare orde.  

Voorwaarden en vereisten bij sluiting i.v.m. openbare orde

Laatste update 4 oktober 2017
Auteur(s): A. Ram

Vereisten aan besluit tot sluiting

De sluitingsbevoegdheid moet voldoen aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. Subsidiariteit betekent dat uitsluitend tot sluiting kan worden overgegaan indien geen ander probaat middel voorhanden is dat niet of in mindere mate ingrijpt in de privacy van de bewoners. Bij sluiting in het kader van de verstoring van de openbare orde moet de maatregel in verhouding staan tot de overlast. Gezien de ingrijpendheid van de sluiting mag niet lichtvaardig naar dit instrument worden gegrepen.

Ernstige overlast: aantasting veiligheid en gezondheid

De sluiting is proportioneel indien door de verstoring de veiligheid en gezondheid van mensen in de omgeving van de betrokken woning in ernstige mate worden aangetast. Er dient sprake te zijn van ernstige overlast. Veelvuldige verstoringen en/of zeer ernstige verstoringen van de openbare orde kunnen deze ernstige overlast met zich meebrengen.

Motivatie gegrond op bewijsstukken

Een besluit tot sluiting zal deugdelijk moeten worden gemotiveerd. Deze motivering zal gegrond moeten zijn op bewijsstukken waaruit duidelijk en overtuigend blijkt dat er van een verstoring van de openbare orde sprake is. Als bewijsstukken dienen politierapporten en processen-verbaal. Volgens de memorie van toelichting is het enkele feit dat er sprake is van een strafbaar feit een onvoldoende grond om de beperking van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer die in de sluiting van de woning is gelegen, te kunnen rechtvaardigen.

Duur sluiting

Bij sluiting wordt door de burgemeester de duur van de sluiting vastgelegd (art. 174a lid 3 Gemeentewet). Over de sluitingsduur zijn geen criteria vastgelegd. Tijdens de behandeling van artikel 174a in de Tweede Kamer werd gesteld dat bepalend voor de sluitingsduur is de ernst van de overlast en - in samenhang daarmee - de verwachting over de tijd die nodig is om de loop van de klanten naar het pand eruit te halen.

Opheffen of verlengen sluiting

Pas wanneer er geen risico voor herhaling van de overlast bestaat, moet de sluiting van het pand worden opgeheven. In geval van ernstige vrees voor herhaling van de verstoring van de openbare orde kan de burgemeester de sluiting verlengen.

Overige aandachtspunten bij sluiting woningen bij verstoring openbare orde

Voordat daadwerkelijk tot sluiting kan worden overgegaan, moet de belanghebbende (bewoner/eigenaar) worden gehoord en in de gelegenheid worden gesteld binnen een te stellen termijn maatregelen te treffen waardoor de verstoring van de openbare orde wordt beëindigd, tenzij dit in spoedeisende gevallen niet mogelijk is (art. 174a lid 4 Gemeentewet).

Belanghebbende moet zelf aangeven welke vrijwillige maatregelen hij heeft genomen om aan de overlast een einde te maken en sluiting van de woning te voorkomen. Na het verstrijken van de termijn die belanghebbende is geboden, kan tot feitelijke sluiting worden overgegaan.

Leegstaande appartementen en woningen

Artikel 174a Gemeentewet is tevens van toepassing op leegstaande appartementen of woningen. In de memorie van toelichting is aangegeven wat onder ‘woning’ en onder ‘niet voor publiek toegankelijk lokaal’ moet worden verstaan. Als voorbeeld van een ‘niet voor publiek toegankelijk lokaal’ is een hotelkamer genoemd. Volgens een uitspraak van de rechtbank Rotterdam (10 augustus 2000) is een leegstaand appartement, voor zover het niet valt onder het begrip woning, aan te merken als een ‘niet voor publiek toegankelijk lokaal’.

Algemene wet bestuursrecht van toepassing bij sluiting

In artikel 174a lid 5 Gemeentewet is bepaald dat de artikelen 5:25 t/m 5:28 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing zijn. In deze artikelen zijn geregeld het kostenverhaal, de bevoegdheid tot het verzegelen van gebouwen en de bevoegdheid om zich toegang te verschaffen tot elke plaats, door personen die daartoe zijn aangewezen door het bestuursorgaan dat bestuursdwang toepast, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.

Op het zonder toestemming binnentreden van een woning is de Algemene wet op het binnentreden van toepassing. 

Sluiting bij ernstige vrees voor herhaling

Laatste update 4 oktober 2017
Auteur(s): A. Ram

De burgemeester kan ook een woning sluiten bij ernstige vrees voor herhaling (artikel 174a lid 2 Gemeentewet). Dit kan in het geval van ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde, op grond dat de rechthebbende eerder een andere woning heeft gebruikt of heeft laten gebruiken waarbij die woning op grond van verstoring van de openbare orde is gesloten en er aanwijzingen zijn dat betrokkenen de woning eveneens op een zodanige wijze zal gebruiken.

Hiermee kan voorkomen worden dat een bewoner/eigenaar zijn of haar activiteiten weer heel gemakkelijk in een andere woning kan voortzetten. Opgemerkt wordt dat een dergelijke ‘preventieve’ sluiting van woningen of lokalen niet mogelijk is op grond van artikel 13b Opiumwet.

Intrekking exploitatievergunning

Auteur(s): A. Ram

Op grond van een in de APV opgenomen overlastverordening kan de daaraan gekoppelde exploitatievergunning bij concrete overlast worden ingetrokken. Dit kan eventueel in combinatie met sluiting voor langere duur. Bovendien kunnen aan dergelijke vergunningen voorwaarden worden verbonden zoals het niet-situeren van inrichtingen in de omgeving van scholen en psychiatrische inrichtingen.

Bestuursdwang in het kader van art. 13b Opiumwet (sluiting coffeeshops)

Laatste update 4 oktober 2017
Auteur(s): A. Ram

Wet van Damocles

Op 21 april 1999 is de Wet Damocles in werking getreden. Het gaat hier om de wet van 18 maart 1999 tot wijziging van de Opiumwet in verband met het creëren van de mogelijkheid voor de burgemeester om bestuursdwang toe te passen ter handhaving van de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet.

Sinds de laatste wijziging van artikel 13b (1 november 2007) is de burgemeester bevoegd, tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven, middelen als bedoeld in lijst I of II worden verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig zijn. Het is daarom niet meer noodzakelijk om aan te tonen dat bij overlast er sprake is van een verstoring van de openbare orde. Dit betekent dat de burgemeester deze last onder bestuursdwang kan toepassen als bijvoorbeeld coffeeshops zich niet houden aan de al dan niet lokaal opgestelde regels betreffende het coffeeshopbeleid. Dit handhavingsinstrument hangt als het spreekwoordelijke ‘zwaard’ boven de coffeeshops.

Sluiting coffeeshops nu geformaliseerd in Opiumwet

Met de invoering van artikel 13b wordt de in de praktijk van het lokale coffeeshopbeleid gegroeide rol van de gemeenten, geformaliseerd in de Opiumwet. Van de ‘omweg’ van het aantonen van de overlast hoeft nu geen gebruik meer te worden gemaakt. Sluiting van lokalen is nu mogelijk als er middelen als bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet worden verkocht, afgeleverd of verstrekt of daartoe aanwezig zijn. De burgemeester kan niet optreden tegen andere overtredingen zoals de teelt, de vervaardiging of het vervoer van drugs.

Bestuursdwang bij lokalen én woningen

Bij lokalen kan naast coffeeshops gedacht worden aan cafés, theehuizen, sappenbars, (afhaal)restaurants, winkels, seed- en growshops, head- of smartshops, beurzen en tentoonstellingsruimten. Sinds de laatste wijziging van artikel 13b kan door de burgemeester ook bestuursdwang worden toegepast indien drugs worden verhandeld uit woningen. Voorheen konden woningen alleen worden gesloten op grond van verstoring van de openbare orde, ingevolge artikel 174a Gemeentewet.

Bestuursdwang: vrije bevoegdheid, geen verplichting

De bestuursdwangbevoegdheid van de burgemeester is een discretionaire bevoegdheid; dat wil zeggen een vrije bevoegdheid en geen verplichting. De burgemeester is niet verplicht en er wordt van hem ook niet verwacht dat hij zonder meer tegen alle overtredingen als bedoeld in artikel 13b Opiumwet optreedt.

Deze vrije bevoegdheid stelt wel hoge eisen aan de motivering van de bestuursdwangbevoegdheid. Het ontwikkelen van beleid waarin wordt aangegeven onder welke omstandigheden en op welke wijze gebruik gemaakt zal worden van de bestuursdwangbevoegdheid door de burgemeester is wenselijk.

Aanschrijving bestuursdwang of oplegging dwangsom

De last onder bestuursdwang moet worden gericht aan de feitelijke overtreder of aan degene die het in zijn macht heeft aan de overtreding een einde te maken. In de regel zal dit de exploitant of huurder zijn van de woning of het lokaal waar artikel 2 of 3 van de Opiumwet wordt overtreden. Bij het toepassen van de bestuursdwangbevoegdheid door de burgemeester zijn de bepalingen in de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Jurisprudentie sluiting van coffeeshops op grond van art. 13b lid 1 Opiumwet

Laatste update 4 oktober 2017
Auteur(s): A. Ram

Sluitingsbevoegdheid niet mogelijk indien handelsvoorraad wordt aangetroffen in een pand op 150 meter van de coffeeshop

Door de politie wordt een voorraad cannabis van 18 kilo aangetroffen in een woning op 150 meter afstand van een gedoogde coffeeshop. In de woning bevindt zich een medewerker van de coffeeshop die verklaart dat hij bezig is met het afwegen, inpakken en gereedmaken van cannabis voor het overbrengen naar de coffeeshop.

De burgemeester sluit de coffeeshop voor drie maanden op grond van artikel 13b Opiumwet, omdat de maximaal toegestane handelsvoorraad van 500 gram is overtreden. Volgens de burgemeester moet de woning worden aangemerkt als een bij de coffeeshop behorend erf, gezien het onlosmakelijke samenstel tussen de voorbereidingshandelingen, de handelsvoorraad en de geringe afstand tot de coffeeshop.

Uitspraak voorzieningenrechter

De voorzieningenrechter is het hier niet mee eens en stelt dat voor het ontstaan van de sluitingsbevoegdheid is vereist dat de overtreding heeft plaatsgevonden in een voor het publiek toegankelijk lokaal of een daarbij behorend erf (oud artikel 13b Opiumwet waarin alleen werd gesproken van het voor het publiek toegankelijke lokalen).

Het pand waarin de cannabis is aangetroffen is een woning, deels ingericht als kantoor. Het is daarmee geen voor het publiek vrij toegankelijk lokaal. Het kan door de 150 meter afstand ook niet als het erf van de coffeeshop worden beschouwd. Binnen de coffeeshop zelf heeft geen overtreding van de criteria plaatsgevonden en het pand waar de cannabis is aangetroffen valt ook niet onder de reikwijdte van artikel 13b Opiumwet (LJN AS7616, rechtbank Middelburg, 11 februari 2005).

Uitspraak afdeling bestuursrechtspraak Raad van State

De Afdeling bestuursrechtspraak was het eens met de visie van de voorzieningenrechter en overwoog verder dat het niet van belang is of het desbetreffende pand al dan niet een inrichting en/of een lokaliteit is in de zin van de Wet milieubeheer en/of van de Drank- en Horecawet, omdat in de Opiumwet niet is aangesloten bij die definities (ABRvS 7 september 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU2128).

Terechte sluiting coffeeshop wegens aantreffen van 1,4 gram harddrugs bij bezoeker

Bij een politiecontrole worden in een coffeeshop bij een bezoeker negen bolletjes cocaïne aangetroffen met een totaalgewicht van 1,4 gram. De burgemeester besluit hierop de inrichting onmiddellijk te sluiten op grond van artikel 13b Opiumwet. Appellanten voeren aan dat het sluiten van de inrichting een punitieve sanctie is.

Oordeel afdeling bestuursrechtspraak Raad van State

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt echter dat de toepassing van bestuursdwang er slechts toe strekt, overtredingen van de Opiumwet, zoals door de burgemeester geconstateerd op grond van artikel 13b lid 1 van de Opiumwetwet, te beëindigen en te voorkomen. Er is dus geen sprake van een sanctie met een leedtoevoegend karakter. Dat de financiële consequenties van de sluiting voor appellanten aanzienlijk zouden zijn, doet hieraan niet af. Appellanten betogen verder dat de aangetroffen hoeveelheid cocaïne zo gering is dat dit niet als een handelsvoorraad kan worden aangemerkt waarbij tevens niet is gebleken dat de cocaïne in de coffeeshop is verhandeld.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de hoeveelheid meer is dan die volgens het Openbaar Ministerie als voorraad voor eigen gebruik (0,5 gram) wordt aangemerkt. Voor het ontstaan van de bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen is tevens niet vereist dat daadwerkelijk cocaïne is verhandeld. Ook de persoonlijke verwijtbaarheid van de exploitant speelt geen rol bij de vraag of zich een situatie voordoet die tot sluiting van de inrichting noopt. Appellanten zijn verantwoordelijk voor de gang van zaken in de inrichting en zij dienen afdoende maatregelen te treffen teneinde feiten als hier in geding te voorkomen (LJN AR8730, Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, 5 januari 2005).

Telefonische afspraak verkoop drugs valt onder begrip verkopen ingevolge 13b Opiumwet

​De voorzieningenrechter oordeelde dat onder het begrip verkopen genoemd in artikel 13b niet kon worden verstaan het enkel maken van een telefonische afspraak over de verkoop van drugs, los van de aflevering of verstrekking daarvan. Hij stelde dat in dit artikel de nadruk ligt ​op fysieke, naar plaats te bepalen handelingen die de openbare orde kunnen verstoren of voor overlast kunnen zorgen en dat alleen het maken van een telefonische afspraak niet een dergelijke handeling is.

De burgemeester stelde zich in het bij de voorzieningenrechter bestreden besluit op het standpunt dat uit informatie van de politie, waaronder tapverslagen, is gebleken dat onder meer van en naar het vaste telefoonnummer van het horecabedrijf is gebeld en daarbij in versluierde taal over de handel in drugs is gesproken. Daarbij werden afspraken gemaakt inzake tijdstippen en prijzen, met het oog op levering van drugs vanuit het horecabedrijf, veelal in de directe omgeving daarvan. Volgens de burgemeester volgt uit de informatie van de politie dat vanuit het horecabedrijf drugs zijn verkocht en dat de eigenaar van het horecabedrijf daarbij betrokken is geweest, alsmede in ieder geval drie andere personen die inmiddels strafrechtelijk zijn veroordeeld voor de handel in drugs.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de handelingen die volgens de burgemeester in het horecabedrijf hebben plaatsgevonden, kunnen worden aangemerkt als handelingen die rechtstreeks tot de overdracht van het verkochte leiden en vallen dus onder de reikwijdte van het begrip ‘verkopen’ als bedoeld in artikel 13b lid 1 van de Opiumwet. De voorzieningenrechter is er ten onrechte van uitgegaan dat zodanige uitleg de reikwijdte van artikel 13b lid 1 van de Opiumwet onaanvaardbaar zou vergroten, nu voor de toepassing van de in deze bepaling neergelegde bevoegdheid niet alleen van belang is of de desbetreffende handelingen onder het begrip ‘verkopen’ vallen, maar ook of de burgemeester in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik kan maken en, zo ja, of de wijze waarop die bevoegdheid wordt toegepast evenredig is (ABRvS 2 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1138)​.

Sluiting woning zonder voorgaande waarschuwing

De burgemeester van Kerkrade ging over tot sluiting van een woning voor de duur van twaalf maanden. Dit op grond van een doorzoeking in de woning waarbij werd aangetroffen: 2,2 kg cocaïne, xtc-tabletten en amfetaminetabletten en ongeveer 12 kg softdrugs. Verder werden aangetroffen kilo's hulp- of versnijdingsmiddelen, een verdovendemiddelenpers en teststof voor cocaïne. Door appellante werd betoogd dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de burgemeester niet in redelijkheid heeft kunnen gelasten dat de woning voor de duur van twaalf maanden werd gesloten. Appellante voerde daartoe aan dat het beleid om zonder voorafgaande waarschuwing sluiting van de woning te gelasten onevenredig en, gezien de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 13b van de Opiumwet, in strijd met de bedoeling van de wetgever is.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog het volgende. De burgemeester beschikt bij de uitoefening van de bevoegdheid conform artikel 13b lid 1 Opiumwet over beleidsvrijheid. Daaruit vloeit voort dat de rechter de invulling van die bevoegdheid door de burgemeester, terughoudend moet toetsen. De geschiedenis van de totstandkoming van art. 13b van de Opiumwet doet daaraan niet af. Weliswaar is in de Kamerstukken waarnaar appellante verwijst (Kamerstukken II 2005/06, 30515, 3, p. 8, en Kamerstukken II, 2006/07, 30515, 6, p. 1 en 2) in algemene zin vermeld dat bij een eerste overtreding nog niet tot sluiting van de woning dient te worden overgegaan, maar moet worden volstaan met een waarschuwing of soortgelijke maatregel, doch dit moet worden beschouwd als een uitgangspunt waarvan in ernstige gevallen mag worden afgeweken. In het licht van het voorgaande heeft de voorzieningenrechter het beleid om in het geval harddrugs zijn aangetroffen, anders dan bij softdrugs, zonder voorafgaande waarschuwing de sluiting van het betrokken pand te gelasten terecht niet onredelijk geacht.

Verweer geen sprake van handel in drugs of daartoe aanwezig

Overigens werd ook verweer gevoerd op het feit dat niet was gebleken dat in de woning verdovende middelen werden verhandeld of daartoe aanwezig waren. Dat de hoeveelheid aangetroffen verdovende middelen groot was, brengt niet met zich dat in verdovende middelen is gehandeld of dat de aangetroffen verdovende middelen daartoe aanwezig waren.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de in de woning aangetroffen hoeveelheid hard- onderscheidenlijk softdrugs groter was dan de hoeveelheid van maximaal 0,5 gram onderscheidenlijk 5 gram die door het Openbaar Ministerie als hoeveelheid voor eigen gebruik wordt aangemerkt. De burgemeester mocht zich daarom op het standpunt stellen dat de aangetroffen verdovende middelen bestemd waren voor de verkoop. Temeer nu de aangetroffen hoeveelheden verdovende middelen de door het Openbaar Ministerie als geringe hoeveelheden, bestemd voor eigen gebruik, aangemerkte maximumhoeveelheden ruimschoots overschrijden en in de woning tevens hulp- of versnijdingsmiddelen, een verdovendemiddelenpers en teststof voor cocaïne zijn aangetroffen. Gelet hierop, heeft de voorzieningenrechter met juistheid overwogen dat de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet bevoegd was tot het opleggen van een last onder bestuursdwang (ABRvS 28 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY4412).

Sluiting is ook mogelijk bij het telen van hennep

De afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat bij aanwezigheid van meer dan gebruikershoeveelheden het in beginsel aannemelijk is dat die drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking (in artikel 13b wordt telen niet expliciet genoemd op basis waarvan bestuursdwang kan worden toegepast). Zie voor een nadere toelichting op deze uitspraak, onderdeel handhaving in het hoofdstuk hennepteelt.

Aanwijzen andere gebruiker/beheerder en mogelijkheid onteigening

Laatste update 4 oktober 2017
Auteur(s): A. Ram

Wet Victor: aanwijzen andere gebruiker/beheerder en mogelijkheid tot onteigening gebouw

De Wet Victor heeft betrekking op vervolgmaatregelen na sluiting van een woning, of een niet voor het publiek toegankelijk lokaal op grond van artikel 174a van de Gemeentewet (Wet Victoria) of op grond van artikel 13b van de Opiumwet (Wet Damocles). Op grond van de artikel 14 van de Woningwet (Wet Victor) is het college van burgemeester en wethouders bevoegd om de eigenaar te verplichten om een andere gebruiker voor het pand aan te wijzen of het gebouw in beheer te geven. Aan dit besluit kunnen voorwaarden worden gesteld, zoals het geschikt maken voor gebruik van de woning.

Onteigeningswet

Als er ondanks de hiervoor genoemde aanwijzingsbevoegdheid geen uitzicht is op duurzaam herstel:

  • van de openbare orde rond het betreffende gebouw als bedoeld in artikel 14 van de Woningwet welke is verstoord door gedragingen in het gebouw, of
  • het duurzaam achterwege blijven van de handel in soft- en harddrugs (overtreding van artikel 2 of 3 Opiumwet) in dat gebouw.

Dan is de gemeenteraad, op grond van artikel 77 lid 1 sub 7 Onteigeningswet, bevoegd om tot onteigening over te gaan.